P E D A G O G I E K . N E T

 

donderdag 9 september 2010

sitemap home
nieuws dossiers thema's portal zoeken
   

NIEUWS

  • Algemeen nieuws
  • Jeugdzorg
  • Onderwijs
  • Opvoeding
  • Wetenschap


    artikel printen

    NIEUWS »


    Risicofactoren van probleemgedrag bij baby’s en peuters
    publicatiedatum: 30-09-2007 20:09:57 | laatst gewijzigd: 30-09-2007 20:40:16 | auteur: Giessen Danielle

    Ongeveer tien tot vijftien procent van de baby’s en peuters hebben milde tot matige gedragsproblemen (Stacks, 2005). Ouders van deze jonge kinderen rapporteren geregeld agressie, hyperactiviteit, ongehoorzaamheid, separatie angst en problemen tijdens dagelijkse activiteiten zoals aankleden en eten (Mouton-Simien, McCain & Kelley, 1997). Hoewel veel van deze problemen kortstondig zijn, toont steeds meer onderzoek aan dat vroege gedragsproblemen de kans op latere stoornissen vergroten (Campbell, 1995; Stacks, 2005). Kinderen met externaliserende problemen op jonge leeftijd, ervaren meestal op latere leeftijd sociale en academische problemen (Mesman, Bongers & Koot, 2001). Daarnaast tonen verscheidende onderzoeken aan dat angst en vermijding tijdens de peuterjaren de kans op angststoornissen op vierjarige leeftijd vergroten (Kagan, 1997). Desondanks is er nog relatief weinig bekend over de ontwikkeling van internaliserende en externaliserende problemen bij baby’s en peuters. Het is namelijk lastig om te voorspellen welke kinderen probleemgedrag zullen blijven vertonen (Olson, Bates, Sandy & Lanthier, 2000). Voor vroege preventie en interventie is het noodzakelijk om factoren te identificeren die bijdragen aan het ontstaan van vroege gedragsproblemen bij jonge kinderen (Halpern, 2004). Het huidige onderzoek heeft een poging gedaan om factoren zoals temperament, interactieve gedragingen en probleemgedrag te onderzoeken die samenhangen met en voorspellend zijn voor later externaliserend en internaliserend probleemgedrag.

    Factoren en probleemgedrag voorspellen

    Temperament

    Een eerste mogelijke factor die later probleemgedrag kan voorspellen is temperament. Temperament verwijst naar de gedragsstijl van het kind en het bepaalt de manier waarop situaties door het kind benaderd worden. Kinderen kunnen op basis van hun temperament gecategoriseerd worden als makkelijk of moeilijk. Kinderen die impulsief, boos of gefrustreerd, angstig en verdrietig zijn, zouden een moeilijk temperament hebben (Schaffer, 2003). Temperament wordt vaak gerelateerd aan de ontwikkeling van probleemgedrag in kinderen (Lengua et al., 1998). De laatste jaren is er toenemende interesse in de rol van verschillende dimensies van temperament in de ontwikkeling van de aanpassing van kinderen (Calkins & Fox, 2002). Een aantal onderzoekers hebben regelmatig aangetoond dat een lastig temperament geassocieerd is met latere externaliserende en internaliserende problemen (Campbell, 1995; Olson et al., 2000). Wright Guerin, Gottfried & Thomas (1997) geven bijvoorbeeld aan dat een moeilijk temperament op achttien maanden de kans vergroot op klinische gedragsproblemen van het derde tot het twaalfde levensjaar. Een onhandelbaarheid van temperament is zeer voorspellend voor latere externaliserende problemen (Mathiesen & Sanson, 2000). Echter, de voorspellende waarde van temperament voor internaliserende problemen is minder eenduidig (Eisenberg et al., 2001; Eisenberg et al., 2005; Kochanska & Knaack, 2003). Huidig onderzoek was erop gericht om de voorspellende waarde van temperament voor zowel externaliserende als internaliserende problemen te bepalen.

    Probleemgedrag

    Een tweede mogelijke factor die een rol kan spelen bij het ontstaan van probleemgedrag, is probleemgedrag zelf. Probleemgedrag is te onderscheiden in externaliserende en internaliserende problemen. Externaliserende problemen zijn extroverte gedragingen zoals agressie, overactiviteit en ongehoorzaamheid, internaliserende problemen verwijzen naar introverte gedragingen als angsten, zorgen, somatische klachten, depressie en sociale teruggetrokkenheid (Coleman & Webber, 2002). Mathiesen & Sanson (2000) lieten zien dat er relatieve stabiliteit is in gedragsproblemen van achttien tot dertig maanden. Zelfs al zijn gedragsproblemen op achttien maanden redelijk veelvoorkomend, de resultaten van hun onderzoek laten zien dat men al kan voorspellen bij welke kinderen de problemen zullen blijven bestaan in de vroege kindertijd. Deze resultaten worden onderschreven door Mesman et al. (2001). Predictoren van preadolescent externaliserend en internaliserend probleemgedrag waren agressie, overactiviteit, oppositioneel, angstig en depressief gedrag tijdens de baby en peutertijd. Vroeg probleemgedrag lijkt dus belangrijk voor de ontwikkeling en aanpassing van kinderen (Campbell, 1995; Stacks, 2005).

    Interactieve gedragingen

    De derde factor interactieve gedragingen omvatte in het huidige onderzoek drie aspecten, namelijk negatief gedrag, gehoorzaamheid en vermijding. Negatief gedrag verwijst naar uitingen van boosheid, ongemak en vijandigheid van het kind, gehoorzaamheid is de mate waarin het kind bereid is om naar moeder te luisteren en vermijding verwijst naar het vermijden van de moeder door het kind. Een aantal eerdere studies onderschrijft het belang van deze gedragingen voor later probleem gedrag (Eisenberg et al., 2001; Schaffer, 2003; van Bakel & Risken-Walraven, 2002). Zo zouden kinderen die gevoelig zijn voor intense negatieve emoties, zoals frustratie en boosheid, op latere leeftijd hoge niveaus van externaliserend probleemgedrag laten zien. Deze kinderen brengen hun gevoelens in interactie naar buiten omdat ze hun boosheid en frustratie niet kunnen controleren (Campbell, Shaw & Gilliom, 2000; Eisenberg et al., 2005). Als deze kinderen ook problemen hebben met gehoorzamen en luisteren naar hun ouders, lopen ze een grote kans op het ontwikkelen van probleemgedrag (Braungart-Rieker, Garwood & Stifter, 1997). Daarnaast hebben studies aangetoond dat vermijden van nieuwe situaties en personen gedurende de peuterjaren internaliserende problemen als sociale teruggetrokkenheid en angst kan voorspellen wanneer het kind vier en zeven jaar is (Biederman et al., 1993; Kagan, 1997). Op basis van deze gegevens wordt aangenomen dat negatief gedrag, ongehoorzaamheid en vermijden belangrijke fenomenen zijn en vroege signalen van onaangepastheid van het kind kunnen zijn.

    Beeld lang niet compleet

    De hierboven genoemde onderzoeken bieden interessante inzichten in factoren die later probleemgedrag kunnen voorspellen. Toch zijn er nog steeds tekortkomingen binnen dit onderzoeksgebied. Ten eerste, externaliserende problemen hebben over het algemeen meer aandacht gekregen dat internaliserende problemen (Stacks, 2005). Deze gedragingen zijn zichtbaar en storend voor ouders en leerkrachten, in tegenstelling tot internaliserend probleemgedrag (Coleman & Webber, 2002). Ondanks dat internaliserende problemen minder zichtbaar zijn, hebben ze omvangrijke consequenties voor ontwikkelende kinderen. Ernstige internaliserende problemen, zoals depressie en angst, kunnen bijvoorbeeld leiden tot zelfmoord (Bongers, Koot, van der Ende & Verhulst, 2003). Daarbij is er vaak ook meer aandacht voor externaliserende problemen, omdat er veelvuldig wordt aangetoond dat deze problemen op jonge leeftijd al stabiel zijn. Meer tegenstrijdige bevindingen bestaan met betrekking tot internaliserend probleemgedrag. Sommige onderzoeken vonden een relatief hoge stabiliteit van internaliserende problemen in steekproeven uit de normale populatie (Mathiesen & Sanson, 2000), andere onderzoeken suggereren dat internaliserend probleemgedrag tijdens de ontwikkeling van een kind niet stabiel is (Mesman et al., 2001). Ten tweede, zoals eerder vermeld, is er een beperkte hoeveelheid onderzoek dat zich richt op gedragsproblemen bij baby’s en peuters (Mathiesen & Sanson, 2000). Het is lastig om probleemgedrag van normaal gedrag te onderscheiden doordat gedrag van kinderen continu in ontwikkeling is. Symptomen van bijvoorbeeld separatie angst zijn relatief gewoon tijdens de peutertijd (Bongers et al., 2003). Het wordt vaak gedacht dat het gedrag van kinderen diffuus en niet gedifferentieerd is voor het derde levensjaar. Een consequentie hiervan is dat de meerderheid van het onderzoek kinderen ouder dan drie jaar hebben onderzocht. Echter, het is aangetoond dat psychopathologie betrouwbaar kan worden gemeten en vastgesteld worden bij jongere kinderen (Mesman et al., 2001).

    Het onderzoek was onderdeel van een longitudinaal onderzoeksproject en omvatte 2 meetmomenten, wanneer de kinderen 17 en 35 maanden waren. De 117 participanten waren moeders en hun zonen die consultatiebureaus bezochten in drie grote steden in Nederland. De steekproef was redelijk klein, omdat het onderzoek gebruik maakte van observaties. Om de steekproef homogeen te houden, werden alleen jongens opgenomen in dit onderzoek. Eerdere bevindingen suggereren namelijk dat externaliserend probleemgedrag meer voorkomt bij jongens dan bij meisjes (Rowe, Maughan & Goodman, 2004).

    Voorspellende waarde van de factoren

    De resultaten van het onderzoek laten zien dat externaliserend en internaliserend probleemgedrag op zeventien maanden respectievelijk het externaliserend en internaliserend probleemgedrag op vijfendertig maanden voorspelt. Zoals eerder onderzoek aantoonde (Campbell, 1995; Mesman et al., 2001; Stacks, 2005), onderschrijven deze bevindingen het belang van een variëteit aan probleemgedragingen van zeer jonge kinderen voor hun verdere ontwikkeling. Het is gebleken dat zowel temperament als de interactieve gedragingen geen voorspellende waarde hebben bij het verklaren van zowel externaliserend als internaliserend probleemgedrag op vijfendertig maanden. Zelfs wanneer gecontroleerd werd voor de relatieve stabiliteit van probleemgedrag, bleken de twee factoren geen belangrijke voorspellers van probleemgedrag. Deze resultaten gaan tegen de verwachtingen in. Een aantal auteurs heeft namelijk aangetoond dat temperament voorspellend is voor later probleemgedrag (Campbell, 1995; Olson et al., 2000). Wright Guerin et al. (1997) lieten eerder zien dat temperament in de babytijd het probleemgedrag consistent voorspelt op twaalfjarige leeftijd. Hoewel huidige theorieën van temperament aannemen dat temperament al op jonge leeftijd stabiel is, kunnen zich individuele verschillen blijven voordoen wanneer een kind ouder wordt (Colder et al., 2002). Uit het huidige onderzoek bleek ook dat de variabele temperament niet erg stabiel was van zeventien tot vijfendertig maanden. Om deze reden is de voorspelling van probleemgedrag door temperament gemeten in de babytijd zwakker, dan wanneer temperament gemeten zou worden op latere leeftijd (Lemery et al., 2002). Dit verklaart waarom temperament geen voorspellende waarde had voor later probleemgedrag in de huidige studie. Meer longitudinaal onderzoek is nodig om te bepalen wat de voorspellende waarde is van temperament voor problemen in de late kindertijd en adolescentie. Daarnaast heeft ontwikkelingsonderzoek aangetoond dat het effect van temperament op ontwikkelingsuitkomsten zelden direct is. Er wordt gesuggereerd dat de opvoeding van invloed is op de manier waarop temperament de ontwikkeling van probleemgedrag beïnvloed (Aunola & Nurmi, 2005; Campbell, 1995; Stacks, 2005).

    Echter, dit is niet onderzocht in de huidige studie. Het is ook opmerkelijk te noemen dat de interactieve gedragingen op zeventien maanden het probleemgedrag op vijfendertig maanden niet voorspellen. Hoewel probleemgedrag relatief stabiel is van zeventien tot vijfendertig maanden, blijkt het gedrag zich niet te manifesteren in interacties met moeder. Veranderingen in intrinsieke kindfactoren of de omgeving kunnen hiervan de oorzaak zijn (Mathiesen & Sanson, 2000). Echter, dit zal nog nader onderzocht moeten worden.

    Resultaten beperkt

    De bevindingen uit het huidige onderzoek illustreren het belang van vroege externaliserende en internaliserende gedragsproblemen van baby’s en peuters. Vroege externaliserende en internaliserende problemen kunnen later probleemgedrag voorspellen. Deze bevindingen onderschrijven het belang van probleemgedrag op zeer jonge leeftijd voor de ontwikkeling van een kind (Campbell, 1995; Mesman et al., 2001). Desondanks is aanvullend longitudinaal onderzoek nodig om te bepalen of vroeg probleemgedrag ook het probleemgedrag later in de kindertijd en in de adolescentie kan voorspellen, aangezien een groot deel van de problemen bij baby’s en peuters van voorbijgaande aard is (Stacks, 2005).

    Het is belangrijk om op te merken dat de generalisatie van de resultaten naar de gehele populatie opgroeiende kinderen beperkt is. In het huidige onderzoek waren alleen jongens met hun moeder opgenomen. Dit terwijl er onderzoek is dat suggereert dat meisjes op jonge leeftijd taalvaardigheden, empathie en sociale vaardigheden ontwikkelen die het effect van temperament op de escalatie van externaliserend gedrag in de kindertijd tegengaan (Keenan & Shaw, 1997). Daarnaast lieten Trautman-Villabla et al. (2006) zien dat vader-baby interactieve gedragingen het probleemgedrag van kinderen op acht en elf jaar voorspelde. De bevindingen van deze studie zouden vollediger zijn als vaders en dochters ook deel uit zouden maken van het onderzoek. Mogelijk zouden de factoren interactieve gedragingen en temperament dan wel een voorspellende waarde met betrekking tot later probleemgedrag hebben. Daarnaast waren de meeste participanten blank, hoog opgeleid en niet klinisch. De bevindingen van het onderzoek hoeven daarom niet van toepassing te zijn op kinderen uit ‘high-risk’ gezinnen, slechte woonwijken en minderheidsgroepen.

    Als laatste is het voor preventie en interventie van belang dat men de causale relaties tussen interactieve gedragingen, temperament en probleemgedrag gaat onderzoeken, zodat de causale contributies aan later probleemgedrag van elk van deze factoren bepaald kan worden. Echter, het valt te betwijfelen of met longitudinaal onderzoek ook directe causale relatie te vinden zijn. Daarom moet ook gekeken worden of andere factoren mogelijk een rol kunnen spelen in de ontwikkeling van probleemgedrag, bijvoorbeeld opvoeding. Toekomstig onderzoek moet de indirecte relatie tussen temperament en probleemgedrag, via opvoeding, in acht nemen (Aunola & Nurmi, 2005).


    Bronnen:
  • Aunola, K., Nurmi, J. E. (2005). The role of parenting styles in children’s problem behavior. Child Development, 76, 1144-1159.
  • Biederman, J., Rosenbaum, J. F., Bolduc-Murphy, E. A., Faraone, S. V., Chaloff, J., Hirshfeld, D. R., & Kagan, J. (1993). A 3-year follow-up of children with and without behavioral inhibition. Journal of the American Academy of child and Adolescent Pyschiatry, 32, 814-821.
  • Bongers, I. L., Koot, H. M., Van der Ende, J. & Verhulst. F. C. (2003). The normative development of child and adolescent problem behavior. Journal of Abnormal Psychology, 112, 179-192.
  • Braungart-Rieker, J., Garwood, M. M., & Stifter. C. A. (1997). Compliance and noncompliance: The roles of maternal control and child temperament. Journal of Applied Developmental Psychology, 18, 411-428.
  • Calkins, S. D., & Fox, N. A. (2002). Self-regulatory processes in early personality development: A multilevel approach to the study of childhood social withdrawal and aggression. Development and Psychopathology, 14, 477-498.
  • Campbell, S. B. (1995). Behavioral problems in preschool children: A review of recent research. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 36, 113-149.
  • Campbell, S., Shaw, D., Gilliom, M. (2000). Early externalizing behavior problems: toddlers and preschoolers at risk for later maladjustment. Developmental Psychopathology, 12, 467-488.
  • Coleman, M. C., & Webber, J. (2002). Emotional and behavioral disorders. Theory and practice. Boston: Allyn & Bacon.
  • Eisenberg, N, Sadovsky, A., Spinrad, T. L., Fabes. R. A., Losoya, S. H., Valiente, C., Reiser, M., Cumberland, A., & Shepard, S. A. (2005). The relations of problem behavior status to children’s negative emotionality, effortful control, and impulsivity: Concurrent relations and prediction of change. Developmental Psychology, 41, 193-211.
  • Eisenberg, N., Cumberland, A., Spinrad, T., Fabes, R., Shepard, S. A., Reiser, M., Murphy, B. C., Losoya, S. H., & Guthrie, I. K. (2001). The relations of regulation and emotionality to children’s externalizing and internalizing problem behavior. Child Development, 72, 1112-1134.
  • Halpern, L. F. (2004). The relations of coping and family environment to preschoolers’ problem behavior. Applied Developmental Psychology, 25, 399-421.
  • Kagan, J. (1997). Temperament and the reactions to unfamiliarity. Child Development, 68, 139-143.
  • Keenan, K., & Shaw, D. (1997). Developmental and social influences on young girls’ early problem behavior. Psychological Bulletin, 121, 95-113.
  • Kochanska, G., & Knaack, A. (2003). Effortful control as a personality characteristic of young children: Antedents, correlates, and consequences. Journal of Personality, 71, 1087-1112.
  • Mathiesen, K. S., & Sanson, A. (2000). Dimensions of early childhood behavior problems: stability and predictors of change from 18 to 30 months. Journal of Abnormal Child Psychology, 28, 15-31.
  • Mesman, J., Bongers I. L., & Koot, H. M. (2001). Preschool Developmental pathways to preadolescent internalizing and externalizing problems. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 42, 679-689.
  • Mouton-Simien, P., McCain, A. P., & Kelley, M. L. (1997). The development of the Toddler Behavior Screening Inventory. Journal of Abnormal Child Psychology, 25, 59-64.
  • Olsen, S. L., Bates, J. E., Sandy, J. M., & Lanthier, R. (2000). Early developmental precursors of externalizing behavior in middle childhood and adolescence. Journal of Abnormal Child Psychology, 28, 119-133.
  • Rowe, R., Maughan, B., Goodman, R. (2004). Childhood psychiatric disorder and unintentional injury: Findings from a national cohort study. Journal of Pediatric Psychology, 29, 119-130.
  • Schaffer, H. R. (2003). Social development. Oxford: Blackwell publishing.
  • Stacks, A. M. (2005). Using and ecological framework for understanding and treating externalizing behavior in early childhood. Early Childhood and Education Journal, 32, 269-278.
  • Trautman-Villalba, P., Geschwendt, M., Schmidt, M. H., & Laucht, M. (2006). Father-infant interaction patterns as precursors of children’s later externalizing behavior problems.
  • van Bakel, H. J. A., & Riksen-Walraven, J. M. (2002). Quality of infant-parent attachment as reflected in infant interactive behaviour during instructional tasks. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 43, 387-394.
  • Wright Guerin, D., Gottfried A. W., & Thomas, C. W. (1997). Difficult temperament and behavior problems: A longitudinal study from 1.5 to 12 years. International journal of behavioral development, 21, 71-90.

       
    naar boven

    colofon | disclaimer | © 2000-2006 pedagogiek.net