P E D A G O G I E K . N E T

 

donderdag 9 september 2010

sitemap home
nieuws dossiers thema's portal zoeken
   

NIEUWS

  • Algemeen nieuws
  • Jeugdzorg
  • Onderwijs
  • Opvoeding
  • Wetenschap


    artikel printen

    NIEUWS »


    Gemeentebestuur houdt kinderen voor de gek
    publicatiedatum: 03-03-2008 09:03:29 | laatst gewijzigd: 03-03-2008 15:19:07 | auteur: Piet van der Ploeg en Laurence Guérin

    Als het aan het Amsterdamse gemeentebestuur ligt leren kinderen op school dat we allemaal verschillend mogen zijn en dat we altijd overal over moeten praten, vooral over onze gevoelens. En dat wanneer we maar genoeg over onze gevoelens praten, we elkaar allemaal begrijpen. En dat wanneer we elkaar allemaal begrijpen, niemand meer kwaad wil en kwaad spreekt, iedereen elkaar accepteert en verdraagt. En dat we dan allemaal gelukkig worden. Huup huup huup, barbatruuk!

    Over de lesbrief “Laat je niet gek maken” is enige ophef geweest omdat Wilders zich gekwetst voelde. Hij zou voorgesteld zijn als politicus die onvriendelijk doet over moslims. Stel je voor! Gelukkig is in een tweede editie dit euvel verholpen. Onbegrijpelijk dat de lesbrief niet ter discussie staat vanwege een veel belangrijker probleem: de wonderlijk knullige wijze waarop de leerlingen worden geringeloord en gedesinformeerd. De lesbrief is bedoeld als bijdrage aan burgerschapsvorming, maar bewerkt eerder het tegendeel.

    Niet leerzaam

    Bij lezing van de lesbrief valt meteen op dat kinderen pagina’s lang verteld wordt wat ze al weten. Dat mensen verschillen, bijvoorbeeld.

    “Baby’s slapen en eten. Kinderen gaan naar school in de stad of in een dorp. Ze fietsen of lopen. Ze leren hard of niet zo erg hard. Ze spelen met elkaar of alleen. Sporten doen ze ook. Voetballen of tennissen. Of ze zitten op ballet of op yoga. ... Volwassen mensen werken op een kantoor, in een fabriek of op een boerderij. Of ze geven les op school. Misschien rijden ze in een vrachtwagen. Veel mensen werken in een winkel of ze maken huizen en gebouwen voor anderen. Of ze bouwen computers. Weer anderen lezen boeken om aan anderen kennis door te geven op school of de universiteit. Sommige mensen doen thuis het huishouden en vangen de kinderen op als ze uit school komen. Weer anderen poetsen de hele dag door om alles schoon te krijgen. Er werken mensen in de kerk, in de synagoge of in de moskee. En er zijn ook kunstenaars die schilderen of beeldhouwen en zo hopen iets moois te maken. Er zijn automonteurs en loodgieters, professoren en boekverkopers.”

    Of dat we veel praten (“Op school praat je ook met elkaar. Met je vrienden en vriendinnen en met de leraren. Thuis praat je met je ouders, met je broers en zussen, met familie en mensen in de buurt.”). En dat er verschillende gevoelens zijn ...

    “Wat voor gevoelens kun je allemaal hebben? Dat zijn er heel veel, maar de belangrijkste zijn toch wel: blij, bedroefd, bang en boos. Blij. Je kunt blij worden van een leuk cadeautje, van een goed cijfer op school of van een gezellige dag met je familie. Van dieren kun je ook blij worden, vooral als ze iets grappigs doen. Waar kun je nog meer blij van worden? (...) Bedroefd. Bedroefd is ongeveer hetzelfde als verdrietig, somber of triest. Het is een gevoel van teleurstelling of verlies. Je kunt het worden als er iemand weggaat die je heel leuk vindt, of erger nog, als er iemand doodgaat. Bedroefd kun je ook worden van een slecht cijfer op school of als je ruzie hebt met een vriend of vriendin.” Enzovoort en zo meer.

    Zulke uitweidingen zijn niet bijster leerzaam, voor negenjarigen niet, voor veertienjarigen zeker niet. Het is vooral vervelend. Vermoedelijk maakt het leerlingen ook argwanend: ‘Wat moeten ze van me?’

    Aanpraten en inprenten

    Benoemen en bespreken van wat bekend is, is hier niet zoiets onschuldigs als aansluiten bij de belevingswereld van de kinderen. Het is niet didactisch functioneel, maar duidelijk bedoeld om de kinderen te paaien:

  • Zie je wel, iedereen is anders. Dus waarom zou dat niet mogen? (Les 1)
  • Hoor je wel, iedereen praat. Dus praten is belangrijk. (Les 2)
  • Merk je wel, àl die gevoelens ... Heel gewoon. Praat er maar over! (Les 3)
  • De toon waarop de kinderen worden aangesproken schept een sfeer van vertrouwdheid en vanzelfsprekendheid. Deze sfeer moet de kinderen ontvankelijk maken voor belerende vorming. Een reconstructie van hoe dat gaat (in Les 3):

    De leerlingen komen door het herkauwen van wat ze al lang weten in een cadans van ‘ja, ja, ja’. Dan wordt het menens. “Wat doe je als je blij bent? Vertel je het dan aan anderen? Is het fijn om je blijdschap te delen met anderen?” Het kind krijgt onwillekeurig het gevoel dat het moeilijk anders kan dan instemmen, ‘ja, ja, ja’. Even later:

    “Als je bedroefd bent is het fijn om dat te laten merken aan anderen. Het gaat sneller over als anderen je kunnen helpen of zelfs opvrolijken. Als je je terugtrekt en tegen niemand meer iets zegt, duurt de bedroefdheid veel langer en dat is niet zo leuk. Wat kun je dan beter doen dan ... vertellen dat je bedroefd bent?”

    Natuurlijk! Er zit niks anders op voor het kind. Inderdaad, wat moet je anders als je boos, blij, bedroefd of bang bent? Wat moet je anders dan wat de lesbrief voorkauwt: “Je kunt het maar het beste gewoon zeggen”? De moraal wordt de kinderen nog eens extra ingeprent met een praktische opdracht:

    “Maak een emotiepaspoort. Gebruik daarvoor de speciale pagina ‘Emotie Paspoort’. Schrijf bij elke emotie een kort verhaaltje over jezelf. Het moeten tekstjes zijn die iets over jou zeggen. Bijvoorbeeld bij ‘blij’: ‘Ik word blij van … Dat merk je aan me want … Ik vertel anderen waar ik blij over ben als …’ Bijvoorbeeld bij ‘boos’: ‘Ik kan heel boos worden als … Als ik boos ben, dan …’ Als iedereen het emotiepaspoort heeft ingevuld, wissel je met je buurman of buurvrouw van paspoort. Wees zorgvuldig met het paspoort van de ander en respecteer diens gevoel. Zijn er overeenkomsten of verschillen? Herkennen jullie elkaars gevoel?”

    De leerlingen wordt aangepraat en ingeprent hun gevoelens te uiten. Ze leren niks over gevoelens uiten. Ze worden bijvoorbeeld niet uitgenodigd om zich af te vragen of het altijd kan en of het per definitie gunstig uitwerkt. Dat zou leerzaam zijn. Immers, soms begrijp je je eigen gevoel niet; vaak kun je er geen woorden voor vinden; als je erover vertelt, merk je soms dat een ander er niks van snapt of er iets anders van maakt of er misbruik van maakt; vaak is er niemand die er oren naar heeft als je over je gevoelens begint; als je vertelt dat je boos of bang bent, doen mensen het soms af als flauwekul of aanstellerij of ze reageren precies verkeerd waardoor je nog bozer of banger wordt.

    De lesbrief leert kinderen ook niet om af te wegen of het altijd verstandig is je gevoelens te uiten en hoe je het beste je gevoelens kunt uiten. Ook dit zou leerzaam zijn. Immers, soms is het beter niet te laten merken dat je boos of bang bent, beter voor jezelf en/of beter voor een ander; meestal is het belangrijk om je gevoelens op een bepaalde manier te uiten, bijvoorbeeld op een bepaald moment, in bepaalde mate, in bepaalde vorm; hierbij maakt het veel uit ten overstaan van wie je je gevoelens uit, bij de een kan het beter zus en bij de ander kan het beter zo ... Niet leren afwegen hoe en wat verstandig is in dit opzicht is een misser in een lesbrief die burgerschapsvorming beoogt, want goed burgerschap betekent op z’n minst enige emotionele bescheidenheid en terughoudendheid: juist niet altijd het hart op de tong.

    We houden trouwens ons hart vast bij de gedachte aan de risico’s van de opdracht met het Emotie Paspoort. Stel, een kind legt zijn ziel en zaligheid bloot, zijn buurvrouw leest het en zijn buurvrouw is niet zo vriendelijk en discreet als de lesbrief voorschrijft ... Hopelijk zijn de meeste kinderen ervarener en wijzer dan de lesbrief veronderstelt en nemen ze het Emotie Paspoort niet serieus, vullen ze het vrijblijvend en nietszeggend in. Helaas zijn er altijd kinderen zijn die zich wel laten paaien en naaien door autoriteiten en zalvende praatjes. En dat zijn niet zelden de gevoeligste kinderen.

    Psychologiseren en moraliseren

    De kernboodschap van de lesbrief is simpel:

      (1) waar en wanneer mensen verschillen, moeten mensen praten,
      (2) met elkaar praten leidt tot elkaar begrijpen en
      (3) elkaar begrijpen leidt tot elkaar aanvaarden en verdragen.

    Dit 1-2-3-tje wordt voorgesteld als remedie tegen maatschappelijke kwalen als discriminatie, uitsluiting, polarisatie en segregatie en bijbehorende verschijnselen en incidenten als kwaadspreken, zwart-maken, geweld, radicalisering en (zelfs) boekverbranding. Hoe naïef kun je zijn? En hoe naïef mag je blijven? Moeten kinderen op school niet leren dat het ingewikkelder is?

    Waarschijnlijk hebben verreweg de meeste kinderen al ervaren dat het allemaal niet zo simpel is. Dat praten niet altijd verbroedert. Bij onenigheid werkt praten soms zelfs als olie op het vuur. ‘Woorden hebben’ of ‘woorden krijgen’ heet het wel. En dat praten niet per se bijdraagt aan begrijpen. Praten kan voor hetzelfde geld verdraaien, verbloemen of verwarren; onbedoeld of met opzet. En dat begrijpen geen garantie is voor acceptatie en tolerantie. Goed begrip kan voor hetzelfde geld reden zijn voor afkeuring en verwijdering. Ons oordeel over iemands overtuiging kan immers ongunstiger worden naarmate we die beter begrijpen. Stel, iemand is overtuigd racist ... Kinderen voelen vermoedelijk op hun klompen aan dat het 1-2-3-tje geen tovermiddel is.

    Ze horen te leren dat het ook geen tovermiddel is tegen maatschappelijke problemen. De lesbrief slaat hierom de plank mis. Ze doet complexe historische en maatschappelijke problemen af als kwesties die persoonlijk (moreel en psychisch) zijn en ook op dit niveau moeten worden opgelost. Alsof sociale en culturele cohesie, integratie en tolerantie bereikt kunnen worden door verbetering van persoonlijke communicatie en persoonlijke oordelen. Alsof het niet in de weg gestaan wordt door economische, maatschappelijke en demografische ontwikkelingen en factoren, dus onpersoonlijke ontwikkelingen en factoren waaraan je niet zomaar iets kunt doen, die moeilijk grijpbaar en moeilijk veranderbaar zijn.

    Beter dan te psychologiseren en te moraliseren zou het de scholen passen leerlingen inzicht te geven in zulke ontwikkelingen en factoren. In hoe die werken. Bijvoorbeeld in de samenhang tussen groeiende werkloosheid en toenemende intolerantie jegens allochtonen. Of in de dynamische relatie tussen (a) de Nederlandse steun aan de oorlog in Irak en Afghanistan, (b) onze zorg om eigen veiligheid, (c) de interetnische onverdraagzaamheid in steden als Amsterdam en (d) de radicalisering onder bepaalde categorieën moslimjongeren. Het is een kunst om dit begrijpelijk en zaak-adequaat in beeld te brengen voor leerlingen in de bovenbouw van het basisonderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs, maar het is geenszins onmogelijk. Het is leerzamer in elk geval dan het naïeve 1-2-3-tje van praten-begrijpen-aanvaarden.

    Simplificeren

    Ook in andere opzichten wordt er onnodig en onverantwoord versimpeld. De lesbrief wil kinderen vooral wijzer maken op twee punten: vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst. Je zou verwachten dat de lesbrief dan kennis geeft over deze vrijheden en dat hij problemen rond dezelfde vrijheden benoemt en behandelt, met name tegenspraken en conflicten.

    Bijvoorbeeld het probleem dat gelovigen mogen geloven wat ze willen dankzij de godsdienstvrijheid en mogen zeggen wat ze willen dankzij de vrijheid van meningsuiting, maar het zelf soms niet zo nauw nemen met de vrijheden van anderen. En dat dit gemakkelijk tot conflicten leidt. Neem de spanningen tussen moslims en joden of de intolerantie van behoudende moslims en gereformeerden jegens homoseksuelen. Of de klachten van orthodoxe protestanten over bloot op televisie en winkelen op zondag.

    In de lesbrief is geen sprake van zulke ingewikkeldheden, laat staan van behandeling ervan. Er wordt domweg overheen gepraat:

    “Het hoeft helemaal geen probleem te zijn dat er in een land veel verschillende godsdiensten zijn. Het wordt pas een probleem als iemand zegt dat het ene geloof goed is en het andere slecht. Dat kan een ander zich aantrekken, terwijl hij gewoon zijn geloof aanhangt. Een geloof is op zich niet goed of slecht. Het is er of het is er niet.”

    Waarom verzwijgt de lesbrief dat veel gelovigen hun eigen geloof goed vinden en dat van een ander slecht? En vinden dat hun zienswijzen en leefwijzen goed zijn en die van anderen slecht? En dat juist dit voor conflicten en onverdraagzaamheid zorgt, zowel vroeger als tegenwoordig, zowel elders op de wereld als in Nederland? We hoeven niet lang en ver te zoeken om het te kunnen illustreren: moslims over joden, hindoes en moslims over elkaar, protestanten over katholieken, verschillende varianten van gereformeerden over elkaar, orthodoxe gelovigen over liberale gelovigen (in alle godsdiensten).

    En waarom kaart de lesbrief het meer algemene probleem van dilemma’s en tegenspraken niet aan? Vrijheden, waarden en rechten staan nogal eens op gespannen voet met elkaar. Iedereen is gelijk. Maar moslims, joden en gereformeerden mogen in eigen kring vrouwen ongelijk behandelen. Iedereen mag geloven wat hij wil, naar zijn geloof leven en voor zijn geloof uitkomen. Maar of je overal een boerka mag dragen ... En of je je dochter mag laten besnijden ... En of je je kinderen mag vrijwaren van de evolutieleer ... En of je mag weigeren les te krijgen van een homoseksuele leraar ...

    De actuele en urgente vraagstukken van de moderne democratie laten zich niet verhelpen met het uiten van gevoelens. Ze zijn wel belangrijk en interessant genoeg om te verkennen, om zakelijk over geïnformeerd te worden. Bij uitstek een taak voor de school.

    Onhelder

    De enige dubbelzinnigheid of tegenspraak die in de lesbrief wel omstandig aan bod komt, is die tussen enerzijds altijd mogen zeggen (zingen, schrijven, tekenen) wat je vindt en voelt en anderzijds geen kwaad mogen spreken, niet mogen discrimineren, niet mogen generaliseren, niet mogen kwetsen. De vrijheid van meningsuiting heeft een grens. Zoveel is duidelijk. Het is alleen jammer dat de lesbrief de kinderen niet helder uiteenzet waar de grens ligt. En hoe de grens kan variëren. Dat waar de grens ligt afhankelijk is van context (bijv. prive / openbaar), middel (bijv. documentaire / column), functie (bijv. ambtenaar / journalist / leraar / geestelijke), intentie (bijv. informeren / amuseren / prikkelen / zorgen) en noem maar op. Er wordt slordig gezinspeeld op variaties, maar van inzichtelijke uiteenzetting is geen sprake. Dat zou leerzaam geweest zijn --en bijdragen aan burgerschapsvorming.

    Er wordt evenmin uitgelegd wat kwetsen precies is. Bijvoorbeeld of de grens echt al bereikt is zodra iemand of een groep zich gekwetst voelt of beweert dat hij gekwetst wordt. Sommigen hebben lange tenen; sommigen zijn vaatjes buskruit. De maatschappelijke onrust over cartoons, parodieën, boeken en films en de discussie hieromtrent bewijzen hoe relevant en complex ook deze vraag is. (Geinig in dit verband is hoe de lesbrief zelf inzet werd van een conflict over smaad. Over lange tenen en vaatjes buskruit gesproken ...)

    De lesbrief is over één ding glashelder: je mag niet op internet anderen belachelijk maken. Intrigerend hoe omslachtig de kinderen hierop aangesproken worden:

    “Je kunt ... achter je computertje de raarste dingen over anderen schrijven. Echt erg is dat niet. En het gaat trouwens enorm vervelen. Je schiet er ook weinig mee op om dat soort dingen te doen, omdat je er weinig mee bereikt.”

    Wel afkeuren, maar tegelijkertijd voorkomen dat je de kinderen op een idee brengt, dus meteen bagatelliseren. Zouden kinderen daarin tuinen? ‘Als het niet erg is en snel verveelt en niks uithaalt ... Waarom nemen ze dan de moeite om te vertellen dat het niet mag?’ Kinderen zijn niet gek.

    Misleidend

    De lessen zijn in zakelijk opzicht oppervlakkig en misleidend. Opvallend oppervlakkig is de bespreking van de wereldgodsdiensten in lessen 4 en 5: per themaatje een paar regels per godsdienst. Het gaat hier niet om kennis maken of te denken geven, maar om de indruk te wekken dat er veel verschillen zijn en toch ook veel overeenkomsten zijn. De boodschap is belangrijker dan de zaak. Kwalijker dan oppervlakkigheid is misleiding.

    Over de Grondwet bijvoorbeeld. “Je mag niet discrimineren. Dat staat zelfs in de Grondwet, de belangrijkste wet van Nederland”. Het is het voornaamste inzicht in de eerste les. En het is de basis van de hele lesbrief. In een kader wordt het nog eens haarfijn uitgelegd:

    “Omdat we er in Nederland van uitgaan dat alle mensen gelijk behandeld moeten worden, is er de Grondwet. Die geldt voor iedereen en iedereen moet zich eraan houden. Dit is de belangrijkste wet om te zorgen dat we prettig kunnen samenleven. Want als de een meer zou mogen dan de ander, zou dat niet eerlijk zijn.”

    Waar haalt het Amsterdamse gemeentebestuur deze wijsheid vandaan? Het is onzin. De Grondwet regelt de verhouding tussen overheid en burgers, niet de verhoudingen tussen burgers. De Grondwet kan burgers niks verbieden of voorschrijven. Burgers mogen zelf weten of ze ongelijk behandelen en discrimineren wegens godsdienst, gezindheid, ras en geslacht. De Grondwet schrijft voor dat de overheid gelijke gevallen gelijk behandelt en niet discrimineert. Bewindslieden en ambtenaren mogen niet discrimineren. En personen en instanties die overheids-achtige taken uitvoeren (in onderwijs, zorg, huisvesting enzovoort) mogen gelijke gevallen niet ongelijk behandelen. Nogmaals: burgers mogen het zelf weten. En gelukkig maar. We leven niet voor niks in een democratische rechtsstaat!

    Burgers mogen zelf weten wat ze vinden en doen. Er zijn wel grenzen uiteraard. Wettelijke en morele. Maar de Grondwet zegt alleen iets over wat de overheid moet en mag. Jammer dat de lesbrief de kinderen niet uitlegt hoe dat zit met moraal, wetten, rechten en grondwet. Het is best ingewikkeld allemaal en hierom de moeite waard om kennis van te krijgen. Iets meer inzicht zou allerlei verwarring kunnen voorkomen. Nu vertelt (om maar wat te noemen) één-en-dezelfde pagina (18) dat “politici zich in principe niet bezighouden met godsdienst” en dat “politici mogen zeggen en denken wat ze willen en dus ook hun mening geven over godsdiensten”. Was er onderscheid gemaakt tussen bewindslieden en politici, dan zou het minder verwarrend zijn.

    Genant dat de lesbrief juist op dit cruciale punt zo tekortschiet is. Een kardinale blunder voor een lesbrief die wil bijdragen aan burgerschapsvorming. De misleidende inzet van de Grondwet laat zich overigens moeiteloos verklaren. De lesbrief wil moraliseren: verschillend zijn mag, discrimineren niet. Om zijn moraal kracht bij te zetten beroept de lesbrief zich op de wet. Dat oogt gezaghebbend en objectief. Zeker als het niet zomaar een wet is, maar de hoogste wet. Vandaar: “Je mag niet discrimineren. Dat staat zelfs in de Grondwet, de belangrijkste wet van Nederland”. Wat dondert het als het onzin is. Als de kinderen het maar geloven ...

    Hoe heet de lesbrief ook alweer? ‘Laat je niet gek maken!’ Precies.


    Internet links:
  • Lerarenhandleiding bij lesbrief
  • Lesbrief "Laat je niet gek maken!"

       
    naar boven

    colofon | disclaimer | © 2000-2006 pedagogiek.net